Een voorloper van Stadsregio Amsterdam was het Informeel Overleg
Agglomeratie Amsterdam, dat in de jaren zeventig werd opgericht. In
1985 ontstond hieruit Stadsregio Amsterdam, omdat de deelnemende
gemeenten het overleg wilde formaliseren met een bestuur.
In 1992 wilde men deze organisatievorm uitbreiden door ook
eigen personeel aan te nemen. Stadsregio Amsterdam functioneerde
als een vrijblijvend samenwerkingsverband van gemeenten.
Stadsprovincie
In dezelfde periode besloot het Kabinet dat deze vorm van
samenwerking te vrijblijvend was. Er moest een sterkere structuur
komen: de stadsprovincie. Een referendum maakte in 1995 duidelijk
dat de burger aan een dergelijke structuur geen behoefte had. Een
stadsprovincie werd gezien als opheffing van de gemeente Amsterdam.
Regionaal bestuur strookte niet met gevoelens van lokale binding
bij de burger. De regio stond voor de vraag: hoe nu verder met de
samenwerking tussen gemeenten?
Twee sporen
Het antwoord werd gegeven in de nota 'Samenwerken met perspectief'
die in hetzelfde jaar verscheen. Op basis van deze nota verloopt de
regionale samenwerking langs twee sporen: het spoor van Stadsregio
Amsterdam (uitvoeren van wettelijke taken) en het spoor van de RSA
(Regionale Samenwerking regio Amsterdam). Dit is een informeel
samenwerkingsverband van de gemeente Amsterdam, de provincie
Noord-Holland, Stadsregio Amsterdam en gemeenten buiten het
Stadsregio Amsterdam-gebied.
Wettelijke taken
Op basis van de Kaderwet voert de huidige Stadsregio Amsterdam
wettelijke taken uit die andere overheden niet hebben. Voorbeelden
zijn de invoering van marktwerking in het openbaar vervoer, het
bewaken van het Vinex-beleid of het verdelen van subsidies over
projecten op het terrein van ruimtelijke ontwikkeling,
volkshuisvesting en verkeer en vervoer.
Positief oordeel
In 2000 is de regionale samenwerking geëvalueerd. Aanleiding
hiervoor was het aflopen van de kaderwet in 2003. De gemeenten en
andere belanghebbenden bleken in het algemeen de uitvoering van
taken door Stadsregio Amsterdam positief te beoordelen. De regio
(gemeenten en de Regioraad) verzochten daarop de minister van
Binnenlandse Zaken om mogelijk te maken dat de taken en
bevoegdheden uit de Kaderwet worden voortgezet. De Wet Bestuur
Stedelijke Regio's was daarvan het uitvloeisel, maar deze is nooit
in de Kamer behandeld.
Meer bestuurskracht
Vervolgens is gewerkt aan uitbreiding van de Wet Gemeenschappelijke
Regelingen (WGR) in plaats van invoering van de eerder aan de Kamer
aangeboden Wet Bestuur Stedelijke Regio’s. De stelling blijft ook
in dit voorstel dat vrijwillige samenwerking niet voldoet en dat
meer bestendigheid en bestuurskracht op regionaal niveau nodig zijn
voor het bestuur van stedelijke regio's. Deze zogeheten WGR-plus is
ondertussen van kracht geworden.
Taken en bevoegdheden
In de nieuwe regeling zijn de taken en bevoegdheden uit de Kaderwet
opgenomen. Het takenpakket van de regio’s die op basis van de
Kaderwet functioneerden, bestaat onder de WGR in elk geval uit
de verantwoordelijkheden op ruimtelijk terrein en het verkeers-en
vervoerbeleid (regionaal verkeers- en vervoersplan, bekostiging van
regionale infrastructuur en de exploitatie van het openbaar
vervoer).